Meest gestelde vragen over de RI&E

Volgens artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet moet een RI&E in ieder geval aan de volgende eisen voldoen:

  • de RI&E moet compleet zijn (voorkom dat bijvoorbeeld werkzaamheden, afdelingen, functies, groepen of individuele werknemers over het hoofd worden gezien);
  • de RI&E moet betrouwbaar zijn (dus de situatie eerlijk weergeven);
  • de RI&E moet actueel zijn (de huidige stand van zaken weerspiegelen) en, zodra de situatie daartoe aanleiding geeft, worden geactualiseerd;
  • de RI&E moet op schrift staan;
  • een afschrift moet aan de personeelsvertegenwoordiging (bijv. de Ondernemingsraad, OR) worden overhandigd;
  • de RI&E moet door elke werknemer kunnen worden ingezien.

In de Arbowetgeving worden geen termijnen aangegeven voor het bewaren van stukken, dus ook niet van de RI&E. Dus een wettelijke verplichting is er niet, toch doet u er verstandig aan om de RI&E en de Plannen van Aanpak, zeker voor een termijn van 5 jaar te bewaren. De belangrijkste reden hiervoor is dat het bedrijf bij een (civielrechtelijke) aansprakelijkheidsclaim (bijv. een schadevergoeding van een werknemer) moet kunnen aantonen dat het voldaan heeft aan de zorgverplichting richting de werknemers.

Ook Inspectie SZW kan naar de RI&E vragen tijdens een bedrijfsbezoek

Volgens de Arbeidsomstandighedenwet (art. 5, lid 4) moet een ondernemer over een actuele RI&E beschikken. Wat actueel is, is afhankelijk van een aantal factoren. In ieder geval van ontwikkelingen binnen het bedrijf.

Als u grote aanpassingen in het bedrijf aanbrengt, moet u de RI&E ook aanpassen. Nieuwe machines, een nieuwe manier van werken, een reorganisatie of een nieuwe locatie? Veranderingen in uw bedrijf betekenen een aangepaste RI&E. U inventariseert dan opnieuw welke risico’s er in uw organisatie spelen.

Anderzijds kunnen ook ontwikkelingen in wetgeving een reden zijn om uw RI&E aan te passen.

In ieder geval is het van belang dat het bijbehorende Plan van Aanpak aantoonbaar actueel te houden.

In de Arbowet wordt geen termijn genoemd met betrekking tot de geldigheidsduur van de RI&E. Het gaat erom dat de RI&E actueel blijft. Dus moet een RI&E worden aangepast bij ingrijpende wijzigingen aan werkmethoden, werkomstandigheden of gebruikte techniek (artikel 5 lid 4 Arbowet). Voorbeelden zijn: inrichting van een nieuwe productielijn; uitbreiding van het dienstenpakket; een ingrijpende verbouwing; ingrijpende wijziging van werknemerstaken.

Ook als nieuwe oplossingen beschikbaar komen op het gebied van techniek, bedrijfsgezondheidszorg, ergonomie of arbeids- en bedrijfskunde, of nieuwe ontwikkelingen in de wetgeving moet de RI&E daarop worden aangepast.In ieder geval is het van belang dat het bijbehorende Plan van Aanpak aantoonbaar actueel wordt gehouden.

In het kader van een certificering (bijvoorbeeld VCA) kunnen soms aanvullende eisen worden gesteld met betrekking tot de termijn waarop de RI&E getoetst moet worden.

Ja, iedere werkgever in Nederland is verplicht een RI&E uit te voeren. Het maakt hierbij niet uit of het bedrijf in een huurpand is gevestigd. Indien er knelpunten uit de RI&E naar voren komen die betrekking hebben op het pand, is de werkgever op basis van de Arbowet verantwoordelijk voor het oplossen van deze knelpunten.

In de praktijk blijkt dat huurders zich tot de verhuurder richten wanneer er knelpunten uit de RI&E naar voren komen die betrekking hebben op het pand. In de huurovereenkomst is vaak geregeld wie voor dergelijke knelpunten verantwoordelijk is.

Elke werkgever is verplicht een eigen RI&E op te stellen, inclusief plan van aanpak. Dat er meer bedrijven in één pand gevestigd zijn maakt hierbij niet uit. Uit de RI&E en het plan van aanpak kunnen punten komen die zowel individueel als gezamenlijk geregeld moeten worden.

Het is bovendien niet alleen aan te raden, maar ook verplicht dat de diverse werkgevers samenwerken bij de tot stand komen van hun eigen bedrijfsRI&E. Meer hierover staat in Artikel 19 van de Arbowet.

Ook zijn sommige verantwoordelijkheden vastgelegd in het huurcontract, bijvoorbeeld m.b.t. brandveiligheid. De huurders kunnen de verhuurder hier op aanspreken.

Wie heeft welke verantwoordelijkheid bij het opstellen van de RI&E, het toetsen en het uitvoeren van de RI&E met het plan van aanpak?
Hoe we het ook wenden of keren, uiteindelijk is de werkgever verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van de RI&E en het plan van aanpak. Als er zaken rond die RI&E niet goed gaan dan is dat de verantwoordelijkheid van de werkgever. Een werkgever kan de RI&E natuurlijk geheel zélf uitvoeren, maar in veel bedrijven is deze taak neergelegd bij de preventiemedewerker.

Indien een bedrijf een RI&E en plan van aanpak heeft gemaakt moet deze RI&E en plan van aanpak voor een onafhankelijke toetsing worden voorgelegd aan een gecertificeerde arbodienst of arbodeskundige.

De arbodienst/arbodeskundige stuurt het resultaat van deze toetsing niet alleen aan de werkgever, maar ook aan de OR of de PVT. Het advies van de arbodeskundige kan tot een aanpassing in de RI&E en het plan van aanpak leiden. De aangepaste RI&E en het plan van aanpak worden voorgelegd aan de OR of PVT ter instemming. Na instemming van de OR of PVT gaat de werkgever met hulp van de preventiemedewerker aan de slag met het plan van aanpak.

De Inspectie SZW kan de werkgever vragen om de RI&E en het plan van aanpak. Als daarin is afgeweken van het advies van de arbodienst of arbodeskundige, zal Inspectie SZW vragen om de motivatie: Wat zijn ze overwegingen van de werkgever geweest om af te wijken van het advies van de arbodienst of arbodeskundige. Alleen Inspectie SZW kan de werkgever dwingen om bepaalde maatregelen te treffen.

VIn de Arbowet wordt geen termijn genoemd met betrekking tot de geldigheidsduur van de RI&E. Uitgangspunt is dat de RI&E actueel dient te zijn. Een RI&E moet bijgesteld en opnieuw getoetst worden als er in een bedrijf iets verandert in de werkmethoden, de werkomstandigheden of bij technische innovaties. Bijvoorbeeld bij de inrichting van een nieuwe productielijn, de uitbreiding van het dienstenpakket, een (interne) verhuizing of ingrijpende verbouwing of een ingrijpende wijziging in de taken van werknemers.

In het kader van een certificering (bijvoorbeeld VCA) kunnen soms aanvullende eisen worden gesteld met betrekking tot de termijn waarop de RI&E getoetst moet worden.

Een bedrijf komt in aanmerking voor toetsingsvrijstelling wanneer het voldoet aan de volgende voorwaarden:

Bij het bedrijf werken maximaal 25 werknemers (alle vestigingen samen).
Voor het opstellen van de RI&E wordt gebruikt gemaakt van een branchespecifiek RI&E-instrument dat is goedgekeurd door de sociale partners en een gecertificeerde arbo-deskundige.
Het bedrijf valt onder de betreffende branche.

De wetgever kijkt naar het aantal arbeidsovereenkomsten en dus niet naar het aantal FTE’s. Ook stagiaires worden hierin meegeteld.

Holdings, BV’s en Vestigingen
Voor bedrijven, werkmaatschappijen en zelfstandige BV’s die onderdeel zijn van een Holding of voor vestigingen van een grotere organisatie geldt dat wanneer het bedrijf of vestiging een autonome verantwoordelijkheid heeft met betrekking tot investeringsbeslissingen en/of een eigen budget heeft voor arbo met eigen sturingsmogelijkheden, het aantal werknemers in bedrijf of vestiging geteld wordt. Worden dit soort beslissingen op hoger niveau genomen, dan telt men het aantal werknemers van de totale organisatie of vestiging. Dus ook bij vestigingen van een grotere organisatie telt men in dat geval de werknemers van de hele organisatie.

Inleen/detachering van personen
Wanneer het inlenende bedrijf bepaalt hoe de ingeleende of gedetacheerde medewerkers exact werken, wat er gedaan moet worden, hoe er gewerkt moet worden etc. dan dient het inlenende bedrijf deze medewerkers te beschouwen als ‘gewone’ werknemers. Dit betekent dat het bedrijf verplicht is voor de werkzaamheden van deze medewerkers een RI&E op te stellen en dat deze ook meegeteld moeten worden voor het bepalen van het aantal werknemers. Werken de inleenkrachten of gedetacheerde medewerkers min of meer autonoom, dan worden de medewerkers meegeteld bij het detacheringsbedrijf.

Inhuur van bedrijven
Bedrijven die worden ingehuurd zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen van een RI&E voor de werkzaamheden die zij uitvoeren. Voorbeelden hiervan zijn: de inhuur van bedrijven die regelmatig het kopieerapparaat onderhouden of het inhuren van een loodgieter. De onderhoudsmensen van het kopieerapparaat en de loodgieter tellen niet mee bij het bepalen van het aantal mensen in het bedrijf.

Bij wisselende aantallen in een jaar
Er wordt gekeken naar het gemiddeld aantal personeelsleden per jaar. Daarbij geldt niet het aantal FTE’s, maar het aantal daadwerkelijke personen

FAQ RI&E

Meest gestelde vragen over de Preventiemedewerker

In elk bedrijf moet een preventiemedewerker aanwezig zijn. Dit is een medewerker binnen het bedrijf die zich bezighoudt met de veiligheid en gezondheid op de werkvloer.

Als het bedrijf maximaal 25 werknemers heeft, dan kan ook de werkgever zélf de preventietaken uitvoeren.

Elke bedrijf moet tenminste één preventiemedewerker in dienst hebben die de maatregelen – gericht op veilig en gezond werken – kan uitvoeren.

Dit kan een specialist zijn die speciaal voor deze functie is aangesteld, of een vaste medewerker die deze functie ernaast doet.

Bij kleine bedrijven (tot 25 medewerkers) mag ook de werkgever als preventiemedewerker optreden.

De benoeming van de persoon en de positie van de preventiemedewerker in de organisatie moet met instemming van de OR of PvT moet plaatsvinden.

Ja, elke organisatie met werknemers is verplicht zich bij te laten staan door één of meer deskundige werknemers. Dit staat letterlijk in artikel 13, lid 1 van de Arbowet). Deze deskundige werknemers zijn de preventiemedewerkers.

De preventiemedewerker is vaak een rol van een van de werknemers. Bij bedrijven tot 25 medewerkers kan de werkgever deze rol zelf vervullen.

  • Bedrijven met méér dan 25 werknemer moeten een medewerker aanwijzen als preventiemedewerker.
  • Bij bedrijven met maximaal 25 werknemers in dienst mag de directeur zélf de preventiemedewerker zijn.
    Het bedrijf mag niet iemand van buiten aanstellen als preventiemedewerker. Behalve als er echt geen mogelijkheden zijn om de preventiemedewerker binnen het bedrijf aan te wijzen.
    De keuze voor één of meerdere preventiemedewerkers en de positie van de preventiemedewerkers in de organisatie hebben de instemming van de ondernemingsraad nodig (art. 27, lid 1 t/m 3 van de WOR).
    Het is van belang dat de preventiemedewerker die wordt aangewezen, over voldoende deskundigheid, ervaring en tijd beschikt om de preventietaken goed uit te kunnen voeren.
    De preventiemedewerker voert de taken uit met behoud van zijn/haar zelfstandigheid en onafhankelijkheid.
  • De preventiemedewerker heeft benadelingsbescherming (hiermee wordt bedoeld dat een werknemer niet vanwege zijn/haar functie als preventiemedewerker benadeeld mag worden door de werkgever), net zoals leden van de ondernemingsraad.
  • In de RI&E moet worden aangeven hoe werknemers in contact kunnen treden met de preventiemedewerker, dus hoe de toegankelijkheid geregeld is.
  • Een advies van de preventiemedewerker aan de OR of PVT moet via een kopie aan de werkgever gezonden worden.

vEr is een algemene inhoudelijke taakeis voor preventiemedewerkers: “Werkgever laat zich t.a.v. de naleving van zijn verplichtingen op grond van deze wet bijstaan door één of meer deskundige werknemers” (art. 13, lid 1 Arbowet).

Specifieke inhoudelijke taakeisen voor ‘preventiemedewerkers’ (art. 13, lid 7 Arbowet) zijn:

  • het meewerken aan of het opstellen van een RI&E (incl. het plan van aanpak);
  • het meewerken aan het uitvoeren van de maatregelen uit o.a. het plan van aanpak;
  • het samenwerken met en het adviseren aan de OR of de PVT;
  • het samenwerken met en het adviseren aan de bedrijfsarts of de arbodienst;

Naast de bedrijfsarts krijgt ook de preventiemedewerker een stevigere rol in de nieuwe Arbowet. Elk bedrijf moest al ten minste één werknemer aanwijzen als preventiemedewerker. De preventiemedewerker krijgt nu ook als taak te adviseren aan en samen te werken met de bedrijfsarts en andere arbodienstverleners. Daarnaast moet de benoeming van de persoon en de positie van de preventiemedewerker in de organisatie met instemming van de OR of PVT plaatsvinden. Dit geldt sinds 1 juli 2017 voor elke nieuw aangestelde preventiemedewerker.

Welke deskundigheid een preventiemedewerker nodig heeft wordt bepaald door de risico’s in het bedrijf. Zijn er veel en complexe risico’s in het bedrijf aanwezig dan zal de preventiemedewerker over méér deskundigheid moeten beschikken. De risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet een antwoord geven op de vraag welke risico’s er zijn en wat de ernst van deze risico’s zijn. De deskundigheid van de preventiemedewerker moet dus aansluiten op de risico’s in het bedrijf.

Er bestaat geen wettelijke plicht tot het volgen van een opleiding voor preventiemedewerker. Maar de wet zegt wél dat de preventiemedewerker zijn taak ”naar behoren” moet kunnen uitvoeren. Zeker als de preventiemedewerker weinig of geen kennis heeft van arbeidsomstandigheden dan is het volgen van een preventiemedewerker-opleiding aan te bevelen. Bij de toetsing van uw RI&E zal de arbodienst of de arbodeskundige u hierover kunnen adviseren.

Nee, zoals het woord preventiemedewerker al zegt, richt een preventiemedewerker zich op preventie. Dit in tegenstelling tot bedrijfshulpverleners (BHV’ers) die zich voorbereiden op incidenten en calami­teiten en dus reageren als het mis is gegaan (reactief).

De benoeming van de persoon en de positie van de preventiemedewerker in de organisatie moet met ingang van de nieuwe Arbowet met instemming van de ondernemingsraad (OR) of personeelsvertegenwoordiging (PvT) plaatsvinden.

Ook hebben de bedrijfsarts en andere arbodienstverleners de mogelijkheid om overleg te voeren met de OR, PvT of betrokken medewerkers.

Werknemers en arbodeskundigen kunnen daardoor beter samenwerken, en zijn zo beter betrokken bij het bedrijfsbeleid voor gezond en veilig werken.

De werkgever van een bedrijf is er verantwoordelijk voor dat de Arbowet wordt nageleefd. Hij moet aan een aantal verplichtingen voldoen om een zo veilig en gezond mogelijke arbeidssituatie te creëren voor zijn werknemers, en voor hemzelf. De werkgever moet hiervoor inzetten:

<strong>Risico-inventarisatie en -evaluatie:</strong>
De risico’s die werknemers in het bedrijf lopen, moeten worden vastgelegd in een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E). Daarin staat ook hoe de medewerkers tegen deze risico’s beschermd worden. In zo’n inventarisatie staat of de veiligheid en gezondheid in gevaar komen door bijvoorbeeld instabiele steigers, explosiegevaar, een lawaaiige omgeving of te lang aan een beeldscherm werken. De RI&E moet ter toetsing worden voorgelegd aan een arbodienst of gecertificeerde deskundige.

<strong>Plan van Aanpak:</strong>
Onderdeel van de RI&E is een Plan van Aanpak. Hierin wordt aangegeven wat het bedrijf tegen deze risicovolle situaties doet. Dit kan gaan om het aanbieden van persoonlijke beschermingsmiddelen en het vervangen van schadelijke machines, maar ook om het geven van goede voorlichting.

<strong>Preventiemedewerker:</strong>
De werkgever is verplicht om een van zijn werknemers aan te wijzen als preventiemedewerker. Heeft het bedrijf 25 of minder werknemers in dienst, dan mag de werkgever zelf als preventiemedewerker functioneren.

Ja, de wet schrijft voor dat er in elk bedrijf een preventiemedewerker aanwezig moet zijn.

Dat kan een specialist zijn die speciaal voor deze functie is aangesteld. Ook medewerkers kunnen deze taak op zich nemen, maar zij moeten uiteraard wel over de kennis en kunde beschikken om de preventietaken goed uit te voeren.

Meest gestelde vragen over de BHV-organisatie

Een bedrijfshulpverlener (bhv’er) is opgeleid om in geval van nood de werknemers en klanten in veiligheid te brengen. Zo weet een bhv’er hoe hij mensen uit een brandend gebouw moet krijgen en hoe hij bij een ongeval eerste hulp moet verlenen. Een bhv’er kan bijvoorbeeld mensen reanimeren en verbanden aanleggen

In de Arbowet is opgenomen dat bedrijven verplicht zijn om maatregelen te nemen op het gebied van bedrijfshulpverlening. Iedere werkgever is verplicht goede bedrijfshulpverlening te organiseren en in dit kader één of meer bhv’ers aan te wijzen. Bij het bepalen van de manier van bedrijfshulpverlening of het aantal bhv’ers moet men wel rekening houden met de grootte van het bedrijf en de risico’s die er spelen.

De directeur/eigenaar van een bedrijf mag zelf ook als bhv’er optreden. Wel is het van belang dat iemand anders de taken over kan nemen als de directeur afwezig is.

  • Artikel 3 van de Arbowet omschrijft de verplichting tot bedrijfshulpverlening (BHV). Elke werkgever is verplicht om maatregelen te treffen op het gebied van BHV en moet goed voorbereid zijn op ongevallen, brand en ontruiming.
  • Artikel 15 van de Arbowet beschrijft dat de werkgever zich moet laten ondersteunen door deskundige BHV’ers. Verder staan in dit artikel de taken van de BHV’ers en de verplichting tot opleiding van de BHV’ers.

Als het bedrijf bhv’ers aanstelt, moet ervoor gezorgd worden dat zij beschikken over een goede opleiding en uitrusting om hun taken goed uit te voeren. Bedrijven moeten naast het nemen van maatregelen ook contacten onderhouden met de betrokken externe hulpverleningsorganisaties wanneer er zich een ongeval voordoet.

Het woord zegt het al: een Bedrijfshulpverlener (BHV’er) biedt hulp als er op een bedrijf een incident is. De taken van de BHV’er zijn volgens de Arbowet, artikel 15:

  •   Het verlenen van eerste hulp bij ongevallen
  •   Het beperken en het bestrijden van brand en het beperken van de gevolgen van ongevallen
  •   Het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of inrichting

Een BHV’er is dus opgeleid om in geval van nood de werknemers en klanten in veiligheid te brengen. Zo weet een BHV’er hoe hij mensen uit een brandend gebouw moet krijgen en hoe hij bij een ongeval eerste hulp moet verlenen. Een BHV’er kan bijvoorbeeld mensen reanimeren en verbanden aanleggen.

Iedere medewerker binnen een bedrijf kan BHV’er zijn of worden. Wel is het van belang dat iemand anders de taken over kan nemen als de BHV’er afwezig is. De wet schrijft daarom voor dat er altijd voldoende BHV’ers aanwezig moeten. Ook tijdens ziekte, verlof en vakantie van de BHV’er moet het veilig zijn en moet er iemand in actie kunnen komen bij een calamiteit. Wij adviseren daarom minimaal 2 BHV’ers op te leiden.

Bij het bepalen van de manier van bedrijfshulpverlening of het aantal BHV’ers moet men rekening houden met de grootte van het bedrijf en de risico’s die er spelen. 

De Arbowet bepaalt alleen dat een werkgever ‘voldoende BHV’ers’ moet aanstellen, maar noemt geen aantallen. Hoeveel BHV’ers u nodig heeft, hangt af van de volgende factoren:

  • ernst van de restrisico’s
  • grootte en complexiteit van het gebouw
  • het aantal aanwezigen (inclusief bezoekers)
  • het aantal niet-zelfredzame personen
  • de ligging van het gebouw (afgelegen of op een bedrijventerrein)
  • aanwezigheid BHV’ers (bij vakantie, verlof, ziekte)
  • opkomsttijd hulpdiensten (ambulance, brandweer)
  • risico’s uit de omgeving

De risico’s bepaalt u aan de hand van de RI&E. Voor ‘echte’ arbeidsrisico’s – machineveiligheid, fysieke belasting, psychosociale arbeidsbelasting – neemt u op basis van de RI&E preventieve maatregelen. Maar voor bepaalde risico’s kunt u geen maatregelen nemen, de zogenaamde restrisico’s. De BHV’er is er om de restrisico’s die niet voorkomen kunnen worden, af te dekken. Het gaat om ongevallen, branden en het evacueren van medewerkers. Op basis van die restrisico’s moet u zich afvragen hoeveel BHV’ers nodig zijn om in een noodsituatie werknemers in veiligheid te brengen.

Er moet altijd ten minste één BHV’er aanwezig zijn, ook in ploegendiensten, bij overwerksituaties of als een deel van de medewerkers thuiswerkt. In geval van nood kan een BHV’er die thuis is natuurlijk geen eerste hulp verlenen, een brand blussen of zijn collega’s op een snelle manier naar een nooduitgang leiden.

Noodplan - Van Dalen Risico Inventarisatie & Advies

Meest gestelde vragen over de ontruimingsplattegrond

Een ontruimingsplattegrond is een begrijpelijke weergave van de bouwkundige situatie welke inzicht verschaft over de mogelijke vluchtwegen in geval van een calamiteit. Ook zijn ontruimingsplattegronden voorzien van veiligheidssymbolen welke de locatie van bijvoorbeeld brandbestrijdings- en reddingsmiddelen weergeven. Zij maken deel uit van informatievoorzieningen op land-, maritieme- en offshore-installaties. NEN-1414 en ISO-23601 vormen de basis voor onze ontruimingsplattegronden.

Een ontruimingsplattegrond is verplicht als het gebouw een brandmeldinstallatie heeft. De brandmeldinstallatie is verplicht op basis van gebruiksfunctie, omvang en hoogte van het gebouw. In onderstaande situaties zijn ontruimingsplattegronden verplicht:

– Als dit vastgelegd is in wet- en regelgeving; volgens het bouwbesluit 2012 ben je verplicht een noodplan te hebben als u een ontruimingsinstallatie heeft.
– Ontruimingsplattegronden is een onderdeel van het ontruimingsplan.
– Vanuit de ARBO wet, zorg dragen voor de veiligheid van medewerkers en bezoekers.
– Indien je gasten ontvangt die niet bekend zijn met alle vluchtwegen, zoals bijvoorbeeld in:
– openbare gelegenheden;
– openbare voorzieningen;
– scholen;
– horeca;
– vergaderlocaties;
– openbaar vervoer;
– bedrijfsruimten en kantoren. 

NEN1414 stelt de inhoudelijke eisen op basis waarvan gemeenten en brandweerkorpsen de plattegronden toetsen. De norm stelt eisen aan de inhoud, vorm, kleuren, teksten en veel andere details van de plattegrond. Juist door deze details blijkt het vaak erg lastig zelf een goede en kloppende plattegrond te maken. Ontruimingsplattegronden moeten eenvoudig en goed leesbaar zijn zodat iedereen de tekening snapt. De taal moet gangbaar zijn in de gegeven situatie. Hotels hebben om die reden vaak meerdere talen nodig op de plattegrond.

Ontruimingsplattegronden moeten ten minste informatie bevatten over:

Alle relevante (nood)uitgangen
De horizontale en verticale vluchtroutes (vloeren, trappen, hellingbanen)
De elementaire brandbestrijdingsmiddelen (brandslanghaspels, blustoestellen, handbrandmelders enz.)
De rotatie van een plattegrond dient overeen te komen met de vluchtrichting van de lezer. Niet elke plattegrond kan dus op elke plek op een verdieping worden gebruikt. Om dit nog duidelijker te maken dient u ook de vluchtrichting op de plattegrond aan te geven.

Ontruimingsplattegronden zijn bedoeld om preventief te gebruiken. Mensen moeten in de gelegenheid komen om zich vooraf erop te kunnen oriënteren. De plattegronden kunnen daarom het best geplaatst worden op plekken waar veel mensen bij elkaar komen of langs lopen. Hierbij kunt u denken aan ontvangstruimtes, kantines, in de buurt van liften, koffieautomaten, kopieermachines, wachtruimtes, in de buurt van de toiletgroepen en in gangen. Wij geven u daarover vrijblijvend advies.

Zorg ervoor dat de brandweer bij een calamiteit snel de beschikking heeft over een ontruimingsplattegrond van het gebouw. Zij zijn dan op de hoogte over de indeling van het gebouw en kunnen dan snel en effectief maatregelen nemen.

De aanwezige personen in een gebouw, die daar mogelijk niet (goed) bekend zijn, kunnen met een ontruimingsplan in één oogopslag zien waar ze zijn en waar ze heen moeten om veilig het gebouw te kunnen verlaten.

Meest gestelde vragen over het werkplekonderzoek

Een medisch werkplekonderzoek is in dit geval niet noodzakelijk. Uitgangspunt is dat de werkgever een goed ingerichte werkplek beschikbaar stelt.

Voor deze vragen kunt u terecht bij de facilitair medewerker, preventiemedewerker of arbocoördinator binnen uw organisatie. Tip: zorg dat uw de instellingen ergens opschrijft of bijvoorbeeld fotografeert, zodat u ze een volgende keer zelf weer kunt instellen.

Dit is niet nodig. Per ministerie staan op rijksportaal de (uiteenlopende) richtlijnen voor het aanvragen van een beeldschermbril. In de meeste gevallen is het zo dat u met uw leidinggevende de aanschaf van een beeldschermbril bespreekt. Bij twijfel kunt u overleggen met de preventiemedewerker of arbocoördinator op uw ministerie. Als uw leidinggevende akkoord is kunt u via een formulier de beeldschermbril declareren.

Het kan wel nuttig zijn de bedrijfsarts om advies te vragen, maar dit is niet verplicht. Als de bedrijfsarts een werkplekonderzoek adviseert is het aan u en uw leidinggevende hier samen een beslissing over te nemen.

U kunt contact opnemen met de ergonoom die het onderzoek heeft uitgevoerd. Hij of zij zal u telefonisch adviseren en indien nodig nogmaals langskomen.

Een werkplekonderzoek richt zich op het optimaliseren van alle werkaspecten zodat klachten kunnen worden verholpen of voorkomen. Bij een algemene vraag als deze, waarbij (nog) niet direct sprake is van gezondheidsklachten, ligt een werkplekonderzoek niet voor de hand. Wel kan de arbodienst in zulke gevallen een arbeidshygiënisch of veiligheidskundig onderzoek doen. Het is aan de organisatie zelf om hiervoor contact met de arbodienst op te nemen; een individuele medewerker kan dit niet aanvragen.

Van Dalen RI&E - Werkplekonderzoek

Meest gestelde vragen over het bedrijfsnoodplan

Een bedrijfsnoodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen als een calamiteit zich voordoet. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen. Met een bedrijfsnoodplan is de veiligheid van de locatie en de omgeving verzekerd.

Een bedrijfsnoodplan is geen vrijblijvende keuze. Voor de uitvoering van het plan moet de organisatie kunnen terugvallen op een goed opgeleid en voorbereid team van bedrijfshulpverleners (bhv’ers). Hoeveel bhv’ers nodig zijn en welke specifieke vaardigheden zij moeten beheersen, hangt af van de aard van het werk en de risico’s, de grootte en de ligging van het bedrijf. Dat laatste gegeven is niet alleen belangrijk voor het inschatten van mogelijke calamiteiten voor de omgeving, het bepaalt ook de tijd die brandweer en andere hulpverleners nodig hebben om het bedrijf te bereiken.

Een intern noodplan moet in ieder geval een veiligheidsplan, een ontruimingsplan en een beveiligingsplan bevatten. Verder moeten de volgende onderdelen vermeld zijn:

  • de organisatie van de bedrijfshulpverlening;
  • een schema van de commandostructuur van de bedrijfshulpverlening;
  • de plaatsvervanging voor de bedrijfsvoering en de hulpverlening;
  • de afstemming met de gemeentelijke rampenplannen en rampenbestrijdingsplannen; en
  • een beschrijving van de verantwoordelijkheden en taken bij samenwerking tussen het bedrijf en de gemeentelijke instanties.

Vaak loopt een noodplan al vooruit op de periode na de ramp: wat moet er gebeuren om de continuïteit van de gehavende organisatie te verzekeren?

Een noodplan moet ook praktische zaken regelen:

  • Hierin moet de plek opgenomen zijn waar medewerkers zich moeten verzamelen om te kunnen controleren of er mensen zijn achtergebleven en hoeveel.
  • In een risico-analyse behoort ook gekeken te worden naar de vluchtwegen: zijn die duidelijk aangegeven, vrij van obstakels en voorzien van voldoende, goed werkende blusmiddelen?

Het regelmatig oefenen van een rampenplan is noodzakelijk om de papierenplannen in de praktijk te beoordelen én medewerkers vertrouwd te maken met wat zij wel én niet moeten doen als een calamiteit is uitgebroken. Een goede voorbereiding is in geval van nood veel meer dan het halve werk.

In een intern noodgeval moeten de verantwoordelijkheden volledig duidelijk zijn en daarom dienen altijd de volgende zaken te worden vermeld:

  • Een beschrijving van de verantwoordelijkheden van de belangrijkste (sleutel)functionarissen (wie zorgt voor de inwerkingtreding van het interne noodplan en wie heeft dan de leiding).
  • Wie is verantwoordelijk voor de contacten met de autoriteiten (gemeente, politie, brandweer)?
  • Een overzicht van mogelijke ongelukken en de wijze van bestrijding van dat soort ongelukken.
  • Een beschrijving van concrete maatregelen om het personeel te waarschuwen en om te helpen bij een ongeluk (bijv. gedragsregels en wijze van alarmering).
  • Hoe er bij een ongeluk wordt samengewerkt met de autoriteiten?
  • Wat tijdens een ongeluk van werknemers wordt verwacht ter bestrijding van de gevolgen van een ongeluk, inclusief de samenwerking met externe hulpverleners (brandweer, ambulancedienst).
  • Hoe steun wordt gegeven aan externe hulpverleners bij een ongeluk.